Competenties cultuureducatie

De competenties cultuureducatie: wat houdt het in & wat kan ik er mee? 

‘Wat wil ik mijn leerlingen meegeven aan kunst en cultuur?’ Elke leerkracht heeft daar wel een antwoord op. Elke basisschool moet volgens de kerndoelen aandacht besteden aan kunstzinnige oriëntatie. Maar hoe doe je dat op een goede manier en hoe voorkom je dat cultuureducatieve activiteiten als los zand aan elkaar hangen? De competenties cultuureducatie kunst en erfgoed kunnen hierbij helpen.

 

Kort samengevat onderscheiden we drie competenties met bijbehorende gedragsindicatoren waarmee een school de cultuureducatie een duidelijke richting kan geven.

Aan elke competentie is een aantal gedragsindicatoren gekoppeld: dat wat je ook echt bij een leerling wilt terugzien. Het werken met de competenties biedt scholen een hoge mate van vrijheid in het vormgeven van hun cultuurprogramma. Hierdoor ontstaat de ruimte om vanuit eigen visie, mogelijkheden en talenten van leerkrachten en leerlingen te komen tot een zinvolle invulling van het cultuuronderwijs.

Bekijk de filmpjes:

 

Onderzoekend vermogen

De leerling kan vanuit een vraag zichzelf en zijn omgeving leren kennen. Hij:

  • gebruikt actief zijn zintuigen om een object, onderwerp of gebeurtenis te verkennen;
  • experimenteert met verschillende materialen, technieken en begrippen;
  • verkent emoties, ervaringen en ideeën van zichzelf en anderen;
  • stelt vragen aan zichzelf en zijn omgeving;
  • verzamelt, selecteert en maakt kritisch gebruik van verschillende bronnen;
  • gaat door met onderzoeken tot zijn doel bereikt is;
  • werkt de vraag planmatig uit;
  • kan vraag en plan bijstellen op basis van (onverwachte) uitkomsten.
     

Creërend vermogen

De leerling kan op eigen wijze vormgeven aan zijn ervaring, waarneming, verbeelding en kennis. Hij:

  • kan zich een voorstelling maken van een gebeurtenis, ervaring of idee en deze uiten;
  • past bewust technieken, vaardigheden en materialen toe binnen eigen werk;
  • kan opgedane kennis toepassen bedenkt en maakt ontwerpen of concepten;
  • bedenkt en realiseert alternatieve oplossingen;
  • geeft op eigen wijze vorm aan ervaringen, emoties en ideeën.

 

Reflecterend vermogen

De leerling kan terugkijken op eigen ervaringen, deze interpreteren en er betekenis aan geven. Hij:

  • verwoordt eigen ervaringen en gevoelens in relatie tot de context;
  • bedenkt persoonlijke leervragen en geeft aan wat hij anders en beter kan in relatie tot zijn leervragen;
  • vergelijkt eigen ideeën en werk met die van een ander;
  • benoemt wat ideeën en werk van anderen (kunst of erfgoed) voor hem betekenen;
  • stelt zich open, vraagt anderen om feedback en tips en gebruikt deze;
  • kan verwoorden wat de waarde van kunst en erfgoed voor hem is.